Wandtapijtkunst
De wandtapijtkunst was vanaf de 15de eeuw een van de meest bloeiende kunstnijverheden in onze gewesten en verschafte werk aan duizenden spinners, ververs, wevers en tekenaars. De honderden wandtapijten, geweven in de ateliers van Doornik, Brussel, Brugge, Oudenaarde, Edingen en elders, behoorden tot onze beste exportproducten. Rond 1500 wordt Brussel het voornaamste weefcentrum van de Nederlanden. De uitzonderlijke technische kwaliteit van de Brusselse weefsels, met gebruik van goud- en zilverdraad naast zijde en wol, werd toegepast op modellen van hoog artistiek niveau. Hierdoor steeg de kostprijs aanzienlijk. De geweven tapijten waren een echte vorm van luxe voor diegene die ze aanschaften. Een wandtapijt kon meerdere functies hebben. Naast het geven van een zekere isolatie van koude binnenmuren, diende het ook als decoratief pronkstuk. Daarnaast hadden ze ook een akoestisch effect in de ruimte. De iconografie van de meeste Westerse wandtapijten gaat terug op geschreven bronnen. Auteurs zoals Herodotus en Ovidius of werken als de Bijbel en mirakelboekjes waren belangrijke inspiratiebronnen. Een beroemde reeks is die van de Jachten van Maximiliaan, geweven in Brussel.