Oude meesters in tekenkunst en beeldhouwwerken

Origineel dienden antieke tekeningen in de eerste plaats als voorstudie voor schilderijen en beeldhouwwerken. Rond de jaren 1500 echter, krijgen ze een alsmaar grotere zelfstandigheid. Dan worden 16de-eeuwse tekeningen niet louter gebruikt als voorstudie, maar worden ze ook een autonoom kunstwerk. Hiervan is de tekening van een veldhaas door Albrecht Dürer een ideaal voorbeeld. Ook zijn tekeningen vaak van groot wetenschappelijk nut, kijk maar naar de anatomische studies van Leonardo Da Vinci. Tekenkunst kon alle mogelijke onderwerpen behelzen. Van mythologische- en genre- tot landschaps- en religieuze taferelen.

De drukkunst was van groot belang voor het voortbestaan van de tekenkunst. Vanaf de uitvinding van de drukpers konden ook prenten in grote oplage verspreid worden. Zo kan de ene artiest via de teken- en prentkunst een zeer grote invloed hebben op een andere artiest.

 

De beeldhouwkunst kende al redelijk vroeg een zekere autonomie. In de 12de eeuw is de beeldhouwkunst nog zeer stroef: alles lijkt nog zeer versteend en niet-naturalistisch. Kijk maar naar de Gotische kathedralen waarop figuren staan: daar is geen sprake van een zeer groot realiteitsgehalte.

Al in de 12de eeuw krijgen standbeelden een groot naturalisme toegemeten. Draperingen van stoffen worden alsmaar expressiever en psychologie speelt een grotere rol. In de eeuwen die volgen worden enkele figuren van groot belang in de ontwikkeling van de beeldhouwkunst, zo ook  de 14de-eeuwse André Beauneveu. De Heilige Catharina, momenteel in de Onze Lieve Vrouwe-kapel te Kortrijk, spreekt van een groot naturalisme. De figuur lijkt daadwerkelijk in de ruimte te staan, en de draperingen van stof worden alsmaar expressiever.

Ook Claus Sluter draagt in de 14de eeuw erg bij aan de beeldhouwkunst. De portaal-sculptuur die hij ontwerpt voor de Chartreuse van Champmol kent een enorme levendigheid en présence.