Het schildersmateriaal van de Oude Meester
De 17de eeuw, ook wel de Gouden Eeuw genoemd wegens zijn grote welvaart en bloei, tekent zich af tegen de achtergrond van een immense cultuur- en kunstproductie. Grote steden deden dienst als kunstcentra die een grote aantrekkingskracht uitoefenden op kunstschilders of Oude Meesters. Zij vestigden zich meestal in een atelier, waar men antieke schilderijen vervaardigde op vraag van welgestelde opdrachtgevers of groeperingen zoals bijvoorbeeld gilden of religieuze instellingen. De oude meesters onderrichten hierin ook leerlingen, met wie ze dan ook vaak samenwerkten. Zo’n atelier had geen typische inrichting maar bevatte wel steevast dezelfde kenmerkende schildersmaterialen.
Vooral het befaamde Schilder-Boeck van Karel van Mander uit 1604 en Samuel van Hoogstratens Inleyding tot de hooge Schoole der Schilderkonst uit 1678 werden hiervoor als leidraad gebruikt. Uiteraard eiste de schildersezel, een verplaatsbare driepoot waarop het doek geplaatst werd, een belangrijke plaats op. Voor monumentale werken werden dan weer steigers gebruikt. De schilderstok, een lange stok met zachte stof of leer omwonden knop, gebruikte men om de pols te laten rusten tijdens het schilderen. Penselen en kwasten dienden als noodzakelijk gerei en moesten van grote kwaliteit zijn. De haren van geit, hond of das werden bevestigd in de schacht van een pen. Men maakte deze nat vooraleer het penseel in het verfpalet geduwd werd.
In de 17de eeuw werkten Oude Meesters vooral met ronde en ovale paletten. Andere verfcontainers waren koeien- of varkensblaasjes en kommetjes en potjes van geglazuurd aardewerk. Deze verhinderden het uitdrogen van de verf. Voor het maken van de verf, een belangrijk proces dat meestal door de meester zelf of de assisten werd gedaan, wreef men de korrels pigment uit op een harde ondergrond door middel van een glazen loper. Azuriet was veruit het duurste pigment. Hierbij werden bindmiddelen gevoegd die de droogtijd, hechting en duurzaamheid van de verf verzekerden. Soms werden hierbij nog droogmiddelen of verdunningsmiddelen aan toegevoegd. De grootste oude meesters, zoals Rembrandt en Johannes Vermeer, beschikten over een beperkt verfpalet. Toch slaagden zij erin om uit een twaalftal pigmenten, wel meer dan hondertwintig tinten en kleurnuances te realiseren.